MADEN! Ik deins achteruit. De hele GFT container zit vol. Op de bodem ligt een achtergebleven aangeplakte laag van groente, ik zie een hele prei, wie heeft die erin gegooid? Kokhalzend loop ik naar binnen. Ik ben wat somber de laatste weken. Zo somber zelfs dat mijn lieve dochter me aanraadde eens met iemand te gaan praten. Ze bedoelt een psycholoog, want veel andere keuzes zijn er niet. Genoeg praters, weinig luisteraars. Iedereen heeft zijn eigen sores, sommigen meer dan anderen, maar lijden is subjectief. Misschien krijgt de cc eindelijk vat op me. Het thuiswerken, ver weg van alles en iedereen, het beeldbellen, de telefoon als mijn bondgenoot, hele dagen in mijn snikhete kamer. Hooguit af en toe met de auto naar het afvalstation, mijn dochter ophalen, de apotheek voor nieuwe medicijnen of een voorzichtig uitstapje naar dierenarts of tandarts. Misschien is het de hitte. Of de werkdruk. Of de eenzaamheid. Er is niks leuks, niks om naar uit te kijken.
Vrijdag was het precies 5 maanden geleden dat mijn baas ons naar huis stuurde. In het begin was het eng, maar ook spannend, we waren één in onze mening, onze angst, maar ook in onze kracht, we gingen het klaren. Met Mark in strak gesneden blauw aan het roer! Jonge, sterke mensen boden hulp aan oudere of kwetsbare mensen. Er ontstonden mooie initiatieven. We vraten het nieuws. De wereld tegen het virus. Maar toen kwam de onenigheid, de verschillende kampen, en het ergste: de laksheid, de desinteresse.
'Komt goed", zeg ik tegen mijn dochter. 'Ik ben gewoon even mijn mojo kwijt.' Ik pak de tuinslang en de Dettol en trek ten strijde.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten