vrijdag 4 september 2020

Dag 175. Engelen

Ik had een tante Marie. Ze was de zus van oma Jet en getrouwd met ome Toon. Marie en Toon woonden in een oude boerenwoning midden in het Brabantse dorpje E. De voordeur lag aan de straat, maar werd niet gebruikt, behalve misschien door de dokter en de notaris. De rest ging achterom. Eerst door een hek en met een trap naar beneden. Dan stond je in de appelboomgaard. Je klom daarna weer een trap op, langs een drukbevolkt kippenhok, opende een scheef hangende hordeur en dan de keukendeur. 

Terwijl mijn ouders in de warme, lichte keuken koffie dronken, speelden wij, mijn broers en ik, in de boomgaard. Het rook er naar kippenstront en rotte appelen en er zoemden bijen en wespen rond je oren. Slechts 1 keer kwam ik in de donkere gang achter de keuken die naar de nette kamer leidde. Ik weet niet goed meer waarom, maar ik geloof dat er iemand ziek was, misschien wel dood.

In het leven van tante Marie werd de koets vervangen door de auto, stierven miljoenen aan de Spaanse griep, zag ze Duitsers komen en gaan en werd haar broer vermoord in een vernietigingskamp en haar dorp geƫvacueerd en gebombardeerd. Ze heeft de opkomst van de televisie gezien, de rok van lang naar kort zien gaan, ze zag een man lopen op de maan en vrouwen stemrecht krijgen en banen buitenshuis.

Of tante Marie zich in die jaren beklaagde over het beknotten van haar vrijheid als de regering een beslissing nam, ik weet het niet, en gelukkig is het internet haar bespaard gebleven. Als we weer naar huis gingen, kregen we een kistje appelen mee, inclusief worm. 

  

Geen opmerkingen:

Een reactie posten