"Mag ik binnenkomen?", vraagt ze. "Alleen maar vrouwen", gebaar ik. "Hallo, dochter van Jetty", roepen mijn collega's in mijn rechteroor. S hoort niks, maar ziet 3 olijke hoofden op mijn scherm naar haar zwaaien. Ze zwaait verlegen terug, die blik die ik allang niet meer ken maar die bewaard wordt voor vreemde volwassenen.
Even daarna, rond het middaguur, komt ze bij me zitten. Ze geeft me een gedetailleerd verslag over de rellen in Minneapolis en begint een lijst voor te lezen van vergelijkbare incidenten van de afgelopen jaren. "Ik moet nu echt weer verder", zeg ik, want ze vergeet dat die verhalen allang niet meer nieuw zijn voor me, dat ik me daar al druk om maakte toen in 1999 de 23-jarige Amadou Diallo met 41 kogels werd doorzeefd toen hij naar zijn ID in zijn binnenzak greep. "Aansteller", zegt S en loopt nijdig weg.
Ik wrijf over mijn slapen, kneed mijn nek. De zon staat vol op mijn raam, maar ik houd het dicht vanwege mijn buren die luidruchtig mopperend een zwembad aan het opbouwen zijn.
Een collega belt. Met beeld. "Ik wil je even zien", zegt ze. Ze volgt mijn coronadagboek en vindt dat ik erg streng ben voor mezelf, zij gaat alweer op pad en is een van de fortbewakers op kantoor. Als we elkaar gedag hebben gezwaaid, wat een nieuw fenomeen is want dat doen we in het echte leven ook nooit, bel ik in de uren die volgen bijna non-stop met oude en nieuwe cliƫnten, zorgverleners, een wijkteam in een andere stad en een kliniek die onbereikbaar blijkt. Als ik tot slot om half 5 nog even een ambulant begeleider terugbel, struikel ik over mijn woorden. Ik ken haar langer en ze lacht als ik zeg dat praten niet meer lukt, laat staan denken.
Ik denk aan een appje dat ik vanochtend kreeg van iemand die me uit mijn coronacomfortzone wilde halen. Een lieve gedachte, maar ik snak inmiddels juist naar iets wat oud en vertrouwd is, naar mijn comfortzone van weleer.
Stiekem verlang ik ook een beetje terug naar het begin van de lockdown, toen iedereen zich nog zonder tegensputteren schuilhield in de loopgraven van Rutte en de RIVM.
Even daarna, rond het middaguur, komt ze bij me zitten. Ze geeft me een gedetailleerd verslag over de rellen in Minneapolis en begint een lijst voor te lezen van vergelijkbare incidenten van de afgelopen jaren. "Ik moet nu echt weer verder", zeg ik, want ze vergeet dat die verhalen allang niet meer nieuw zijn voor me, dat ik me daar al druk om maakte toen in 1999 de 23-jarige Amadou Diallo met 41 kogels werd doorzeefd toen hij naar zijn ID in zijn binnenzak greep. "Aansteller", zegt S en loopt nijdig weg.
Ik wrijf over mijn slapen, kneed mijn nek. De zon staat vol op mijn raam, maar ik houd het dicht vanwege mijn buren die luidruchtig mopperend een zwembad aan het opbouwen zijn.
Een collega belt. Met beeld. "Ik wil je even zien", zegt ze. Ze volgt mijn coronadagboek en vindt dat ik erg streng ben voor mezelf, zij gaat alweer op pad en is een van de fortbewakers op kantoor. Als we elkaar gedag hebben gezwaaid, wat een nieuw fenomeen is want dat doen we in het echte leven ook nooit, bel ik in de uren die volgen bijna non-stop met oude en nieuwe cliƫnten, zorgverleners, een wijkteam in een andere stad en een kliniek die onbereikbaar blijkt. Als ik tot slot om half 5 nog even een ambulant begeleider terugbel, struikel ik over mijn woorden. Ik ken haar langer en ze lacht als ik zeg dat praten niet meer lukt, laat staan denken.
Ik denk aan een appje dat ik vanochtend kreeg van iemand die me uit mijn coronacomfortzone wilde halen. Een lieve gedachte, maar ik snak inmiddels juist naar iets wat oud en vertrouwd is, naar mijn comfortzone van weleer.
Stiekem verlang ik ook een beetje terug naar het begin van de lockdown, toen iedereen zich nog zonder tegensputteren schuilhield in de loopgraven van Rutte en de RIVM.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten